Lennart is helaas afgevallen vanwege zijn verplichtingen op het ROC, maar gelukkig is Elke erbij gekomen. Zij is de dochter van Mariëlle. Nu heb ik mijn definitieve clubje spelers. Mike en Valerie zijn tweede jaars artiesten op het ROC, Elke doet een vooropleiding voor de artiestenopleiding, Mariëlle is al 15 jaar amateurspeler en Gerard al 40 jaar. Vandaag staat in het teken van het in bepaalde staat van zijn komen om de speelstijl te creëren die ik wil: handelingsgericht met oog voor detail, gevoelig, lief naar elkaar en open. Bovendien wil ik dat de spelers steeds zo dicht mogelijk bij de basis, de opdracht blijven. Pas dan gaan we een stapje verder.
Drie kwartier niets zien vanwege een blinddoek en allerlei opdrachten uitvoeren. Daarmee begonnen we de dag. Voor de spelers werkt het bijna meditatief om op een andere manier waar te nemen. Ze worden heel stil, gevoelig en zitten volledig in hun lichaam. Ik vroeg ze op een bepaald moment om een plek in de ruimte op te zoeken waar niemand je kon horen zien of ruiken, kortom je bent verdwenen. De stilte die er uiteindelijk ontstond was heel zacht. Ook pakte iedereen het anders aan. Gerard stond achterin in het midden van de zaal en het voelde alsof hij zweefde, vertelde hij. Valerie zat heel klein opgekruld in een hoekje op de tribune, Elke lag ver weg verstopt onder stoelen en Mike bleef een tijd lang zoeken naar een plek om uiteindelijk ergens op z'n kop in elkaar tegen de achterwand tot stilstand te komen. Daarna vroeg ik ze om elkaars handen te onderzoeken en een ultieme omhelzing te maken alleen met je handen. Een hele intieme ervaring om elkaar zo te leren kennen. Wat mij betreft passen die stilte en intimiteit bij de dood, maar ook bij schilderkunst. Een schilderij kan nog zo fel van kleur zijn en met korrelige en grove streken geschilderd, een dode kan nog zo gehavend zijn, maar er gaat een enorme stilte mee gepaard.
Deze stilte op het toneel krijgen lijkt mij machtig.
Daarna zijn we personages gaan maken aan de hand van de tekeningen van krankzinnigen van Jan van Herwijnen. Op al deze tekeningen zitten de mensen op een stoel. Hun blik en handen vallen op. Hoe toevallig!
Ook heb ik ander inspirerend werk laten zien dat ook in het MMKA te zien is. Dode vogeltjes bijvoorbeeld.
De opdracht was zo dicht mogelijk bij het portret (de basis) te blijven en van daaruit op te staan, even te lopen, iets te eten / drinken, je naam zeggen en weer te gaan zitten. Heel mooi wat hier uitkwam. In deze kleine handelingsfrase zag je al de basiscontouren van een personage. Een basis om vanuit deze mensen een familie te maken met een dode broer op zolder.
Na de middagpauze hebben we een huiskamer gemaakt met allerlei spulletjes en hebben de spelers samen onderzocht hoe de personages met elkaar omgaan in deze kamer. Ze hebben gegeten, gelezen, geslapen, gepraat en zijn weer wakker geworden. Af en toe zette ik de spelers stil en vroeg ze het voorgaande zo exact mogelijk te herhalen. De concentratie was erg groot. We kwamen op deze manier in een soort dagritueel terecht waarin je als kijker het gevoel kreeg dat dit al heel wat jaartjes op deze manier gaat. Dit hebben we zo'n drie kwartier onderzocht. De spelers waren hierna gesloopt. Dit komt o.a. omdat ik van ze vraag op de details in handeling te letten en niet zo zeer te zoeken naar conflicten in spel. Dit zijn veel spelers niet gewend. Ik wil dat voornamelijk de handeling het verhaal gaat vertellen. Het spel vertraagd enorm hierdoor omdat spelers op de details gaan letten. Ook ontstond er terecht de vraag over hoe vrij je mag zijn in je personage en als speler. Gerard heeft bijvoorbeeld een personage gemaakt waarbij hij voelt dat hij een uitspatting moet krijgen in woede of misschien verdriet, maar op de manier hoe we nu werken kan dat niet omdat al de handelingen zo vertraagd gaan. Vertraagd uitspatten lijkt tegenstrijdig. Aan de andere kant ontstonden er bij Elke kleine verhaal lijntjes in handeling, omdat zij steeds honger had en wegen zocht om de pan met eten te bemachtigen. Dit deed zij heel goed door zo dicht mogelijk bij de basis (de tekening) te blijven. Dit gaf haar overigens niet meteen de hoofdrol in het dagritueel. Wat het wel opleverde was humor en hiermee losheid tijdens het gestileerde en vertraagde (lees handelingsgerichte) spel.
Ook zijn we kort bezig geweest met aankondigen dat je weggaat en met rust gelaten wilt worden. Dat wilde de dode man op zolder namelijk. Hiermee hebben we alleen een begin gemaakt.
Waar ik als maker achter ben gekomen tijdens het dagritueel is dat wanneer personages handelingen hebben uitgevoerd, en daarna weer terugkomen in de pose van de basistekening van Van Herwijnen, het lijkt alsof de personages denken. Er komt dus op deze manier een weg vrij voor de kijker om in het hoofd van een personage terecht te komen. Geweldig!
Hierbij dus mijn eerste conclusie:
Als spelers zo dicht mogelijk bij de basis (de kopie) blijven en daar steeds op terugvallen, dan kun je van daaruit steeds verder bouwen. Het publiek/ de kijker krijgt dan een vrije blik en kan zelf interpreteren. Dit is wat mijn onderzoeksvraag betreft nog niet genoeg. Ik wil een perspectief creëren vanuit een personage. Dus niet zo'n vrije blik dat er alleen maar interpretatie is vanuit het publiek. Nee, in hoeverre kan ik de kijker sturen in zijn interpretatie, zodat hij het gevoel krijgt het personage te worden, zoals je bij film wel eens hebt.
Mijn voornemen is om de komende weken in dat gestileerde handelingsgerichte spel vrijheid (en dus mogelijkheden) te vinden in stille/ dode momenten om zo in het hoofd van een personage te geraken.